today's notes (2)

08/06

10.34 uur. (regen regen regen.)

bladeren in mary ruefle's madness, rack, and honey = lezen in madness, rack, and honey. nu het essay ‘my emily dickinson’ omdat ik vanmorgen moest denken aan woorden waarmee ruefle haar tekst begint, omdat ik ergens over schreef en deze passage me te binnen schoot (& ook omdat het een prachtig essay is):

from first to last, there is no evidence that she laid any plans for the course of her life. she seems, above all, to have wished to avoid ‘doing something about’ her life, and when, from time to time, the obligation was put to her, to make some sort of career for herself, and so prepare for her future, she tried to meet these demands, and failed. (muriel spark, in het boek emily brontë: her life and work)

//

all the while she was getting dressed she felt [the] poems standing upright all over the room. she even kept an eye on them in her dressing table mirror, lest they escape into their natural vertical scent. p147 (j.d. salinger in ‘the inverted forest’; helaas niet opgenomen in zijn nine stories, nergens in opgenomen schijnt.) (heb al tijdenlang niets meer van salinger gelezen, should reread.)

an educated person is one who can be reasonably called upon to draw a conclusion. alas, the only conclusion emily and emily drew from being in school was that they would rather be home, and so they left, and went home, and drew pictures of dogs, and collected wildflowers.
(..)
her
[emily b.] headmaster made this famous, infamous remark: ‘she should have been a man—a great navigator. her powerful reason would have deduced new spheres of discovery from the knowledge of the old; and her strong imperious will would never have been daunted by opposition or difficulty.’ p149

emily dickinson oft looked out of her bedroom window, and many of her poems, if not her world view, seem framed by this fact; so much has been made of this there is little i can add; to argue whether a window is the emblem of complete objectivity (removal and distance) or complete subjectivity (framing and viewpoint) is an argument without end, for every window has two sides, and they are subsumed in the window the way yearning, a subsidiary of the window, is subsumed in both the object yearned for, and the subject of its own activity. p150-151

i'd like to propose the idea that emily [b]'s ultimate window was the sky itself, immense expanse, the one that fueled her and that she seemed to see through and beyond. p151

. . . dickinson, that living diary. p152

—maar het allerliefst, tot nu toe althans, het is een lang essay en ik neem de tijd, neem ondertussen woorden over, hier, onderstreep woorden, daar, in het boek—blijf hangen bij ideeën, dat idee over ramen, mijn raam, i oft look out of my bedroom window; dat idee over yearning, over het feit dat een raam zowel iets is waardoor we naar buiten kijken als een metafoor van zichzelf—over, dus, verlangen en afstand; dichtbij maar ver weg—

maar de gedichten: het allerliefst lees ik de gedichten die ruefle deelt, these emily's and their deep-reaching roots, their far-seeing eyes, their storm-feeding minds—‘new spheres of discovery from the knowledge of the old’—new spheres—

    1400/ emily dickinson

What mystery pervades a well!
The water lives so far—
A neighbor from another world
Residing in a jar

Whose limit none have ever seen,
But just his lid of glass—
Like looking every time you please
In an abyss's face!

The grass does not appear afraid,
I often wonder he
Can stand so close and look so bold
At what is awe to me.

Related somehow they may be,
The sedge stands next the sea—
Where he is floorless
And does no timidity betray

But nature is a stranger yet;
The ones that cite her most
Have never passed her haunted house,
Nor simplified her ghost.

To pity those that know her not
Is helped by the regret
That those who know her, know her less
The nearer her they get.

/

    shall earth no more inspire thee/ emily brontë

Shall Earth no more inspire thee,
Thou lonely dreamer now?
Since passion may not fire thee
Shall Nature cease to bow?

Thy mind is ever moving
In regions dark to thee;
Recall its useless roving—
Come back and dwell with me.

I know my mountain-breezes
Enchant and soothe thee still—
I know my sunshine pleases
Despite thy wayward will.

When day with evening blending
Sinks from the summer sky,
I've seen thy spirit bending
In fond idolatry.

I've watched thee every hour—
I know my mighty sway—
I know my magic power
To drive thy griefs away.

Few hearts to mortals given
On earth so wildly pine
Yet none would ask a Heaven
More like the Earth than thine.

Then let my winds caress thee—
Thy comrade let me be—
Since nought beside can bless thee
Return and dwell with me.

(brontë's hoofdletters. Earth Nature Heaven Earth)

dat we überhaupt bestaan

vreemd dat het onwaarschijnlijke je zo van je stuk kan brengen, denk ik nu. we weten immers dat ons hele bestaan berust op eigenaardigheden en onwaarschijnlijke toevalligheden. dat het aan deze eigenaardigheden te danken is dat we hier überhaupt zijn. dat er mensen zijn op wat we onze planeet noemen, dat we ons kunnen voortbewegen op een ronddraaiende bol in een immense kosmos vol onbegrijpelijk grote objecten met zulke kleine deeltjes, dat onze geest niet kan bevatten hoe klein en talrijk ze zijn. dat deze oneindig kleine objecten stand kunnen houden te midden van het onbegrijpelijk grote. dat we blijven zweven. dat we überhaupt bestaan. dat elk van ons één van die onmetelijk vele mogelijkheden is geworden. het ondenkbare is iets wat we de hele tijd met ons meedragen. het is al gebeurd: we lopen op aarde en zijn onwaarschijnlijk, we zijn uit een wolk van ongelofelijke toevalligheden gestapt. je zou denken dat we door dit besef een beetje toegerust waren om het onwaarschijnlijke tegemoet te treden. maar het omgekeerde is kennelijk het geval. we zijn eraan gewend geraakt zonder dat het ons iedere ochtend duizelt, en in plaats van voorzichtig en aarzelend te handelen in voortdurende verwondering, lopen we rond alsof er niets gebeurd is, nemen we de eigenaardigheid voor lief end uizelt het ons als het bestaan blijkt te zijn zoals het is: onwaarschijnlijk, onvoorspelbaar, eigenaardig. —solvej balle, over de berekening van ruimte i (uitgeverij oevers 2023, vert. adriaan van der hoeven en edith koenders), p45

—maar solvej balle's tara selter komt in een wereld terecht waar alles voorspelbaar is geworden: een schijnbaar oneindige reeks van dag op dag dezelfde dag. onwaarschijnlijk en eigenaardig. eigenlijk gaat dit boek over alles dat we zo normaal vinden, zoals ons bestaan überhaupt; zo vanzelfsprekend, tot je letterlijk niet anders kunt dan er langer over nadenken, en je tot de conclusie moet komen: het is een godswonder dat we er zijn, wij mensen; dat ik er ben, iedere ik stuk voor stuk.

en dat er heel veel meer wonderen bestaan dan alleen zijn.
wakker worden. het textuur van beddengoed. vogelzang. ochtendlicht. die ander: een samen. ontbijt. regen. wandelen. het bos. boodschappen doen. eten maken. naar muziek luisteren. een boek lezen.

(al te groot. het bestaan is nog kleiner. of het bestaan leeft, bestaat, in dat wat nog kleiner is.)

we bewegen door de dagen alsof we er wonen. tara's partner heeft niet in de gaten dat er iets mis is met de tijd: of wellicht is er alleen iets mis met tara's tijd. alsof we allemaal een eigen tijdlijn hebben, als je er over nadenkt klopt dat ook wel een beetje: we worden geboren, alleen; leven, alleen en (soms) samen; gaan dood, alleen. een begin en een einde. de dagen die elkaar opvolgen het bestaan dat uiteindelijk het leven vorm geeft. maar wat gebeurt er dan met tara als zij de enige is die doorleeft, blijft duren, terwijl de rest van de wereld dezelfde dag blijft beleven, in een soort lus terecht lijkt te zijn gekomen? 

het is een beetje alsof de zwaartekracht geen grip meer op haar heeft. er wordt keer op keer een natuurwet overtreden. maar door wie, en waarom.

(we geven onszelf de schuld van de kleinste, de grootste dingen.) 

*

ik heb het boek nog niet uit, las vanmorgen tot pagina 142.
het is hartverscheurend, zo nu en dan. de eenzaamheid. haar partner, door omstandigheden deze 18 november (de dag die zich blijft herhalen) niet op de hoogte van haar aanwezigheid, beweegt zoals iedere dag door deze dag. ze volgt hem:

thomas die de deur van geel metaal loslaat. een deur te zijn. aangeraakt te worden. en op rustige scharnieren langzaam weer terugdraaien en dichtgaan. / maar ik ben geen deur. ik ga niet dicht. ik heb geen scharnieren. er is geen enkel houvast. (p133)

het verlangen maar ook de pijn van de afstand, want zij is al 207 dagen verder in dit leven. misschien ligt het aan mij maar ik kan het me niet voorstellen, ik bedoel ik kan me voorstellen dat een mens wild en rauw wordt van de verwijdering die plaats vindt in een dergelijke situatie. maar die situatie: ik kan het me niet voorstellen.

maar misschien is het idee niet zo abstract als het lijkt.
aansluiting verliezen, contact. zorgt voor een kloof. 

maar tara leeft in het idee. 

ik vind het boek fascinerend, wat ik eigenlijk niet had verwacht, de premisse kwam iets te sci-fi op me over, maar ik kwam het voor een euro bij de kringloop tegen en kon het niet laten liggen (ook wel dankzij de mooie nederlandse cover en de interessante titel). nu kan ik nauwelijks wachten op de volgende delen (hoewel ik niet weet wanneer ik ze zal lezen want nederlandse boeken zijn onbetaalbaar geworden).

i am being

(..) i like to see people being.
     so saying she surprised herself and that seemed to bring her to vertigo. because she, by surprising herself, was being. even taking the chance that ulisses wouldn't notice, she said very quietly to him:
     —i am being...
     —what? he asked when hearing that whispered voice of lóri's.
     —nothing, it doesn't matter.
     —of course it does. would you mind saying it again?
     she grew more humble, because she'd already lost the strange and enchanted moment in which she'd been being:
     —i said to you—ulisses, i am being.
     he looked closely at her and for a moment it was strange, that familiar woman's face. he found himself strange, and understood lóri: he was being.
     they didn't say a word as if they'd just met for the first time. they were being.

clarice lispector, an apprenticeship or the book of pleasures (tr. stefan tobler, p58-59)

*

18 mei 2025

het komt aanwaaien. hier doet alles z'n ding.
why can't i just do my thing. ik weet wat het is dus why dont i

—het is hier makkelijker, omdat het denken uit gaat (uit kan).
omdat ik hier niet alleen ben. een hommel vliegt voorbij. wind trekt aan of laat gaan.
het zindert boven de akkers.

margriet klaproos witte blaassilene boterbloem naast het fietspad.

(dit is te belangrijk om los te laten
kan het niet eens los laten. het is ik of ik is alles; ik bedoel: ik ben niet ik, hier.)
(ik bedoel, dit is waaruit ik besta.)

een kikker gaat los
wind uit het oosten
een vogel verplaatst zich door het riet, zonet op een paar meter afstand van mij. weer verder gevlogen.
lichtbruin wit donkerbruin. rietgors?

een langsvliegende eend, kwakend. mallard duck.
kikker once again.

links boven een kale akker een bruine kiekendief, vallen in rondjes. op zoek naar eten.
(gistermorgen op bijna dezelfde plek het wegwerken van een buizerd, te dichtbij gekomen—nest.)

wind uit het oosten maar de windmolens wijzen noord.
stapelwolken in de verte.

twee zwanen zwemmen langs. op hun hoede maar in volle rust hun gang vervolgend.
nog meer vliegverkeer tussen het riet.

kleefkruid bloeit/ al uitgebloeid, zaden aan mijn veters.

valeriaan in bloei bij de waterkant, ik kan er niet bij (de geur..).
inkarnaatklaver langs het fietspad.
fluitenkruid nog steeds niet uitgebloeid.
gelderse roos in bloei. de geur...

*

who am i? she wondered in great danger. and the smell of the jasmine bush replied: i am my perfume. 

clarice lispector, an apprenticeship or the book of pleasures (tr. stefan tobler, p128)

wisteria in lispector

//