Posts tonen met het label mary oliver. Alle posts tonen
Posts tonen met het label mary oliver. Alle posts tonen

the real work/ the real poem

16.07.2025 

binnen enkele centimeters verwijderd van de tuindeur een verwelkte, verwaterde, gevallen teunisbloem, alsof gedroogd tussen bladeren van een boek, op een tegel. de schoonheid is veranderd door het oprapen & het opdrogen, de nacht is er uit verdwenen, vervlogen. (ook regen is een kunstenaar.) 

ik volg de krullen, scheuren met een potlood (grafiet). 


de noodzaak zonder woorden te denken. of, zonder woorden te zijn. omdat zijn de laatste tijd zo gedwongen voelt; omdat het altijd naar iets moet leiden. lijden. leiden. ik lees byung-chul han’s vita contemplativa (ik bedoel het boek (uitgeverij ten have/ de nieuwe wereld. 6e druk 2025. vertaling mark wildschut), niet het essay dat verwarrend genoeg in een ander boek werd opgenomen, namelijk the scent of time) en hij noemt dat ‘om-te’. 

hij schrijft (in het essay ‘opvattingen over inactiviteit’): 

de ideale schilder laat elke activiteit, elke opzettelijkheid varen en laat alles vanzelf gebeuren. het schilderij lukt op het moment waarop de schilder niemand wordt (..). 

het lawaaiige ik met zijn wil, met zijn intenties en neigingen moeten we laten verdwijnen. over de taak van de schilder merkt cézanne op: ‘heel zijn wil moet zwijgen. alle stemmen van vooringenomenheid moeten in hem verstommen, hij moet vergeten, vergeten, stilte creëren, een volmaakte echo zijn. dan zal het hele landschap binnen het kader passen van zijn lichtgevoelige plaat.’

byung-chul han schrijft dat cézanne appels schildert die niet bestaan om te (om-te) worden opgegeten, en zijn karaffen en borden zijn geen ‘gerei’, geen werktuigen die aan het om-te, aan menselijke doeleinden onderworpen zijn. zij hebben veeleer hun eigen waardigheid, hun eigen glans. 

(glans, gloed, stralen: volgens han straalt ‘de geest in de modus van inactiviteit’.) 

deze appels bestaan omdat een boom ze heeft gegroeid: omdat de zon scheen, de regen viel; omdat de bloemen bloeiden, en bestuivers bestaan. 
(omdat cézanne ze schilderde, omdat hij samenhang zag/ om-te vertellen over samenhang.)

 

21.07.2025

the old poets of china / mary oliver 

Wherever I am, the world comes after me. 
It offers me its busyness. It does not believe 
that I do not want it. Now I understand 
why the old poets of China went so far and high 
into the mountains, then crept into the pale mist. 



heidegger:

why do we have no time? to what extent do we not wish to lose any time? because we need it and wish to use it. for what? for everyday occupations, to which we have long since become enslaved. . . . this not having any time is ultimately a greater being lost of the self than that wasting time which leaves itself time. 

reminds me of seneca’s first letter lucilius, the one that is not included in letters from a stoic but i bet i can find it online— 

I. ON SAVING TIME

Greetings from Seneca to his friend Lucilius.

1. Continue to act thus, my dear Lucilius—set yourself free for your own sake; gather and save your time, which till lately has been forced from you, or filched away, or has merely slipped from your hands. Make yourself believe the truth of my words,—that certain moments are torn from us, that some are gently removed, and that others glide beyond our reach. The most disgraceful kind of loss, however, is that due to carelessness. Furthermore, if you will pay close heed to the problem, you will find that the largest portion of our life passes while we are doing ill, a goodly share while we are doing nothing, and the whole while we are doing that which is not to the purpose. 2. What man can you show me who places any value on his time, who reckons the worth of each day, who understands that he is dying daily? For we are mistaken when we look forward to death; the major portion of death has already passed. Whatever years lie behind us are in death’s hands.

(source: https://en.wikisource.org/wiki/Moral_letters_to_Lucilius/Letter_1



ik beweeg van boosheid naar onderdanigheid. van ‘ok ja ik ben waardeloos want ik doe niet mee aan de maatschappij’ naar ‘ik heb me de blubber gewerkt afgelopen jaren & nu is er niets meer over om het vuur gaande te houden. opgebrand uitgehold. fuck de maatschappij met al z’n nonsens’. 

sens vs nonsens. 

het schuldgevoel als ik niet ‘gehoorzaam’/ mijn tijd niet nuttig gebruik. 

byung-chul han: 

wie in de neoliberale prestatiemaatschappij faalt, maakt zichzelf daarvoor verantwoordelijk en schaamt zich in plaats van zichzelf de maatschappij of het systeem ter discussie te stellen. (..) onder het neoliberale regime van de zelfuitbuiting richt men de agressiviteit eerder tegen zichzelf. 
(psychopolitiek p14, uitgeverij van gennep, vert. marion hardoar & hans driessen 2016) 

druk. uitgebuit(, uitgehold). 

wat is er nu nog over behalve het idee dat alles ergens toe moet leiden: dat lezen niet kan schrijven niet mag (etcetera) zonder dat het zorgt voor productie. dat er geld verdiend moet worden omdat er dingen moeten worden gekocht zodat desire wordt gestild behalve dan dat niets ooit genoeg is. we denken te weten wat we willen want nieuw is altijd goed, altijd beter. 't liefst zo snel mogelijk. en de honger groeit mee. 

zo boos omdat schijn regeert. wat weten we nu nog. of eigenlijk: wat kan er nog geweten worden. (maar de oude wereld bestaat nog. papier en pennen en boeken. bewijs van de werkelijkheid van onzichtbare dingen.) 

*

vermoeidheid overheerst. niet in staat zijn mijn eigen gang van gedachten te kunnen volgen. als er dan toch iets verschijnt, op papier of scherm, de angst slechts te herhalen wat er onlangs werd gelezen. bij byung-chul han een heftig gevoel van recognizing my own rejected thoughts—ralph waldo emerson schrijft in het essay ‘self-reliance’: a man should learn to detect and watch that gleam of light which flashes across his mind from within, more than the luster of the firmament of bards and sages. yet he dismisses without notice his thought, because it is his. in every work of genius we recognize our own rejected thoughts: they come back to us with a certain alienated majesty. 

: iedereen wordt bewoond door genius maar niet iedereen herkent die gleams of light als zijnde interessant/ waardevol genoeg om te noteren. ofwel: neem ik mijzelf serieus. maar er is ook dat moderne gevaar: heb/ neem ik tijd om de slierten überhaupt op te merken, laat staan een moment om het vast te leggen; merken we ons zelf, onze zelf, nog op? nooit aangeleerd = afwezigheid. = niet kunnen bevroeden dat er iets mist. dan kan alleen toeval zorgen voor een verandering in richting. (of, een karakter die om een of andere mysterieus wijze aldoor weigert mee te doen of gewoon niet weet hoe dat moet.) (een ander soort honger: nieuwsgierigheid. ik weet waar ik het over heb: ik weet niet waar het vandaan komt, in mij, maar het is er & toevallig heb ik een ingang kunnen vinden—toch voelt ‘t nog altijd alsof ik op de drempel sta.) 

over datzelfde genius schrijft byung-chul han, in het essay ‘het pathos van het handelen’ (opgenomen in het boek vita contemplativa): 

we ontmoeten de genius wanneer we de eigenschappen, de maskers die we op het toneel van de handeling op hebben, afleggen. de genius openbaart achter het masker een gezicht dat van eigenschappen ontdaan is. (..) met de genius leven betekent een relatie onderhouden met een gebied van niet-weten, van niet-bewustzijn. 

ontdaan van eigenschappen. . . 



mary oliver (uit ‘have you ever tried to enter the long black branches’): And who will care, who will chide you if you wander away from wherever you are, to look for your soul?
en: For how long will you continue to listen to those dark shouters, caution and prudence? 
en: Listen, are you breathing just a little, and calling it a life? While the soul, after all, is only a window, and the opening of the window no more difficult than the wakening from a little sleep. 

en (uit ‘from the book of time’): (..) I am thinking: maybe just looking and listening is the real work. 

Maybe the world, without us, 
is the real poem.

 
30.07.2025 

de weg terugvinden, dacht ik eerder, maar dat gaat niet. 

ik denk dat ik momenteel op zoek ben naar juist die dingen in mezelf die niet, nooit zijn veranderd, hopende op een beetje houvast. mijn ik ontdaan van eigenschappen. looking for my soul.

(byung-chul han in the scent of time (‘the round dance of the world’): nothing progresses without returning.)

today's notes (3)

29/06.

9.24 uur. op de dijk met seneca en mary oliver.
het is zondagmorgen en dus nog rustig. dat was het in het dorp ook maar ik moest er uit. normaal loop ik nu maar het is al te warm, en er staat nauwelijks wind. 

(het licht zo anders in de ochtend. alsof nog onbekend terrein.) 

ik vraag me af wat mary oliver van dit polderlandschap zou vinden. dat dacht ik van de week ook al over emily brontë, zij zou het haten bedacht ik—

{4.38 uur. lezen over emily brontë = nadenken over landschap 
van de week liep ik mijn dagelijkse kilometers & vroeg me af wat emily zou maken van dit landschap waarin ik opgroeide, en momenteel weer beweeg/ leef. 
gisteravond las ik emily brontë's indruk van het platte belgische landschap:

looking out of the coach window during the day-long journey from ostend to brussels, emily did not possess her sister's rose-hued vision. she saw the belgian terrain for what it was: domesticated, tilled, flat, carved-up and cultivated. every field, every fence post, every clod of earth bore the impress of man and the banishment of Nature: it was all 'bare, flat, and treeless . . . slimy canals crept, like half-torpid snakes, beside the road; and formal pollard willows edged level fields, tilled like kitchen garden beds.' (p159 van katherine franks emily brontë. a chainless soul) (achteraf blijkt dit een passage uit charlotte brontë's villette te zijn, niet (zoals ik dacht) een directe quote uit een brief van emily brontë—ofwel een interpretatie van de biograaf. een begrijpelijke interpretatie desalniettemin.)

het polderlandschap is nog erger.
't enige wilde hier per ongeluk, of te vinden boven de lijn van de horizon.}

& dat klopt wel ongeveer, ik kwam gisteren in de biografie een beschrijving tegen van haar reactie op het belgische platteland—en dat was honderdtachtig jaar geleden. afzichtelijk, vond ze het.

mary oliver was een ander mens, had een ander karakter—ze zag overal natuur, kon awe opbrengen voor de meest ellendige plekken—maar ook zij hield 't meest van wild. & dat is hier nauwelijks-niet. (tenzij, natuurlijk, je klein kunt kijken.)

mogelijk is dit niet de juiste manier om over landschap te denken, ondanks alles maakt dit gebied net zo hard deel uit van alles, het geheel, als haar zee, & mangroves in florida—ookal is dit polderlandschap per definitie man made. (maar als mens natuur is, ...)

*

de wolken die ik van over het ijsselmeer naar hier toe zie komen (de wind uit het zuidwesten) komen waarvandaan? 

de gierzwaluwen zijn afgedaald. (of slapen ze niet boven?)
vlak langs en over. aren't they supposed to be shy birds? 

each part is of the world (mary oliver in 't essay 'flow')

de wind brengt grijze sluier. nog ver weg maar het komt. is daar de noordzee? of hangt het al boven noord-holland?

what does it mean (..) that the earth is so beautiful? and what shall I do about it? what is the gift that I should bring to the world? what is the life that I should live? (wederom, 'flow')

er liggen, trekken schaduwen op/ over het meer.

boterbloemen duizendblad distel
allerlei soorten gras—raaigras (engels en frans), gewoon struisgras, veldbeemdgras, ruw beemdgras, kropaar, timotheegras, gestreepte witbol
lieveheersbeestjes
een spinnenweb vol met de kleinste vliegjes, maar verlaten 

een vlucht duiven. lichtgevend, zacht grijs van kleur.

beneden voor de dijk stroken verlaten land: restjes ongebruikt terrein rondom windmolens en zonnepanelen. (een aantal weken geleden plotseling een klonk & een traag naar beneden vallende meeuw, alsof zinkend, alsof sereen: de wind bleef een van de dode vleugels dragen.) 
verlaten en dus onkruidig: enorme struiken kaasjeskruid en honingklaver.

steeds meer bootjes op het meer. (driemaster, alle zeilen in werking.)
de wind lijkt naar het westen te draaien, wellicht zelfs noordwest? misschien via het noorden naar het oosten, zoals vorige week; er komen weer warme dagen aan.

10.32 uur. steeds een beetje meer wind. definitely moving towards NW. 

ik plet allerlei insecten & i don't like it. 

*

14.23 uur. notities bij mary oliver in conversation with coleman barks:

terror is god's son to awe

how we perceive it 

death as change in plaats van a cessation
(cessation = the fact or process of ending or being brought to an end)

ecstasy vs. emptiness. (attitude.)

i want to keep it forever. (ze heeft het over momenten. dat haar poëzie niet over haar gaat maar over ervaringen die ze wil bewaren, & de 'i' being the reader: to be able to enter the moment.)

i want to become my ideas. / be my ideas.

coleman barks over de frase 'consider the lilies' en het belang ervan voor oliver: to try to be that trusting so that you don't give a thought for the future, you don't toil neither do you spin.
(seneca! emerson!)

oliver: not passive in the sense of inert, but passive in the sense of willing.
(nogmaals; seneca! emerson!)

of rivieren leven

we verdrongen ze, schrijft ze: ontzegden ze de toegang tot hun eigen grond. en daarna bouwden we boven op hun huis. ze bestonden al zolang [...] de tijd duurt. en toch zeiden we dat er in de stad geen plaats voor ze was. het enige dat we van ze zagen was hun overlevingsstrijd. [...] wanneer we erlangs liepen, bedekten we onze neus en keken weg.

aldus krupa ge in haar boek rivers remember, door robert macfarlane geparafraseerd in zijn nieuwste boek: zowel de titel van ge's boek als de geleende woorden hierboven zijn een antwoord op de vraag die robert macfarlane stelt met zijn leeft een rivier?: iets dat levenloos is kan *zich* immers niets herinneren, geen strijd leveren, geen ander leven voeden en/ of voortbrengen bovendien.

macfarlane stelt die vraag dan ook niet echt, eigenlijk, hij weet allang dat het antwoord ja is. maar hij wil de vraag verspreiden, en hoe doe je dat efficiënter dan door het op de cover van een boek te plaatsen? 

*

het zit in taal, niet? de manier waarop we over niet-menselijke-wezens denken, praten, schrijven, is het gevolg van onze grammatica en woordkeuze: en de gevolgen van onze taal voor de rest van de wereld zijn groot: we overheersen door middel van taal. (ik schreef eerst met behulp van taal maar ik weet niet of taal het daarmee eens is.)

het punt is: als (en dat is geen vraag wat mij betreft) een rivier leeft, een subject is in plaats van een object: wat hebben wij deze wezens dan aangedaan, doen we ze nog steeds aan? onze medebewoners, medewezens. (kin, familie.)

ze bestonden al zolang de tijd duurt...

waarom zijn sommige mensen wel in staat zijn om over rivieren (etcetera) te denken als wezens die je kunt verdringen, en anderen niet? is het cultuur, opvoeding, is het zoals alles en altijd nature/ nurture

waarschijnlijk. (attention, attitude.) maar ook: het is een keuze. zoals krupa ge schrijft: we kunnen erlangs lopen en de andere kant op kijken: we kunnen kiezen het niet te zien. omdat het pijn doet? omdat het moeilijk is? maar doet de vernietiging van onze thuis (want leefomgeving) dan geen zeer?

mary oliver in ‘upstream’ (een inleidend essay van het gelijknamige boek):

teach the children. we don’t matter so much, but the children do. show them daisies and the pale hepatica. teach them the taste of sassafras and wintergreen. the lives of the blue sailors, mallow, sunbursts, the moccasin flowers. and the frisky ones—inkberry, lamb’s-quarters, blueberries. and the aromatic ones—rosemary, oregano. give them peppermint to put in their pockets as they go to school. give them the fields and the woods and the possibility of the world salvaged from the lord of profit. stand them in the stream, head them upstream, rejoice as they learn to love this green space they live in, its sticks and leaves and then the silent, beautiful blossoms.

attention is the beginning of devotion.

(is alle ellende niet simpelweg een gevolg van imperialisme, kolonialisme? is mijn vermoeden. omdat inheemse bevolkingen over de hele wereld aldoor bewijzen wijzer te zijn dan wij afstammelingen van imperialisten, kolonisten: omdat zij begrijpen waar het fout gaat. raak een element van het systeem aan en je raakt, ja, het hele systeem aan: alles is immers met elkaar verbonden.)

*

(is het waar dat de gemiddelde mens niet over dieren, bomen, planten, insecten, etcetera, het weer de wolken de wind—daar niet over nadenkt als zijnde wezens?) 

 *

robert macfarlane krijgt het toch telkens weer voor elkaar een soort onderstroom van hoop te creëren in zijn werk; ook al zijn veel verhalen heel verdrietig. hij beschrijft (meestal burger-) initiatieven, ideeën en plannen als herculisch en daar zit wat in maar hercules was tot veel in staat, en eerlijk gezegd is bijvoorbeeld de erkenning van de whanganui-rivier in nieuw zeeland als rechtspersoon niet iets dat ik ooit had verwacht; hetzelfde geldt voor wat die erkenning elders in beweging heeft gezet. er is wel degelijk hoop, hoewel er ook veel ontzettend verkeerd gaat.

het gevolg van vervuiling is overigens niet alleen dat zowel rivier als haar hele verwantschap sterft (wanneer een rivier sterft, gaat ook het leven in zijn aura dood, schrijft macfarlane): ook laat het diepe sporen achter in de psyche van bijvoorbeeld mensen die achterblijven in een verwoest en vergiftigd landschap. een van de vele milieuactivisten die macfarlane aan het woord laat vertelt over een bijeenkomst die werd georganiseerd om mensen te vragen naar hun wensen voor de toekomst van hun dorp. een antwoord: we krijgen allemaal kanker. het zou fijn zijn als het gewoon astma was. niet langer weten hoe dat moet, dromen. jarenlang zoveel shit moeten gadeslaan dat er geen durf meer is voor hoop. om het landschap te verbeteren, zegt hij [yuvan aves], moet je eerst kunnen dromen, moet je eerst een góéde droom hebben.

(ik bedoel, keer op keer lees ik over de meest verschrikkelijke vernietiging van cultuur en natuur en telkens weer vraag ik me af hoe het mogelijk is dat we nog bestaan, dat er nog steeds vogels fluiten in de morgen, dat er überhaupt telkens weer een ochtend is. ik ben echter vrij zwaarmoedig van nature dus dit kan aan mij liggen.) 

*

ik vind het lastig dit boek eerlijk te beoordelen, om er met afstand over te schrijven: het is een onderdompeling, en daarom lastig te overzien wat macfarlane heeft klaargespeeld, hoewel ik vermoed dat het net zo ingewikkeld is als onze relatie met, en het leven van, rivieren zelf. bovendien had ik torenhoge verwachtingen. macfarlane heeft een boek geschreven dat zeer toegankelijk is (en dat is belangrijk omdat er ongetwijfeld mensen denken dat alleen die vraag (leeft een rivier?) al sentimenteel** is) en overtuigend (nog belangrijker), maar ik was al overtuigd, dus ik had gehoopt op een meer filosofische benadering: er komen ideeën naar voren die uitgediept hadden mogen worden maar dat gebeurt niet en dat frustreert me.

iets dat me bovenmatig fascineert, bijvoorbeeld, is iets dat op pagina 328 staat geschreven, een gedachtespinsel van macfarlane's vriend/ reisgenoot wayne. hij zegt:

kijk, zo'n rivier kan goddomme een bérg splijten, een berg van het oudste, hardste gesteente op aarde. wou jij beweren dat hij niet ook ideologische bouwwerken kapot kan maken, dat die god niet in de een of andere gedaante minstens een paar van de grote concepten uit de doodsstrijd van het kapitalisme kan slopen? (..) een hypothese, zegt wayne. aarde en rivier zijn allebei goden die bestaan uit tijd, maar zelfs de aarde heeft redenen om te rivier te vrezen. 

oh, dergelijke zinnen laten mij opveren want ja: alles dat groter is dan ons bestaan, wij mensen, dat alles voelt als zoveel wijzer en sterker en dieper, groter. het voelt als heilig. het goddelijke—

en onze medewezens, zij staan dichterbij dat eeuwige dan wij—

zij die weten hoe het moet: hoe je moet leven. (mijn hart raakt van slag: mijn oudste obsessie die vraag: hoe te leven. het antwoord niet te vatten in taal maar in: luisteren, aanschouwen, ademhalen?) zij, onze medewezens, inclusief zij zonder ogen neus en lippen: zo vol van bestaan dat het overstroomd, leven geeft in plaats van beperkt.

dit idee van aarde en rivier als goden doet me denken aan iets dat ik een poosje geleden schreef, naar aanleiding van het boek in gesprek met de noordzee van arita baaijens:


gek genoeg zorgt juist dit boek er voor dat ik enigszins inzicht krijg in het enorme verschil tussen mij, mijn beleving van de wereld, en die van vele anderen. ik vind het moeilijk daar zelfs maar deels mijn vinger op te leggen, maar als ik bijvoorbeeld lees,

het komt gewoon niet bij ons op dat de zee doet waar zij zin in heeft. (p.27 baaijens, in gesprek met de noordzee)

dan roept alles in mij: jawel! zo heb ik de zee, bomen, de wind, altijd gezien; dat al deze bewegingen, en altijd die aanwezigheid, meer betekenis heeft dan ik kan begrijpen, bedenken. maar dat is wellicht het probleem; denken, begrijpen; daar eindigt de wereld niet. dat is niet wat ons zo diep voedt dat we onze grenzen, en tijd voelen wegvallen, zodat enkel schouwen, ervaren overblijft. be-leven. zonder daar ook maar iets voor te hoeven doen. zijn.

ik krijg van zo'n zin dan ook de kriebels, hoewel ik weet dat baaijens het goed bedoelt: omdat het de menselijke ervaring centraal stelt, omdat het spreekt met taal, woorden, die puur mens zijn en dat menselijke is juist wat zee (/ rivier) niet is. ik begrijp baaijens want zij wel, zoals ook ik mens ben—de bezieling die de zin het komt [...] niet bij ons op dat de zee doet waar zij zin in heeft impliceert is voor mij onbetwistbaar (maar het had geen vorm, ik had er geen woorden voor, tot ik werd geconfronteerd met het feit dat dit voor veel mensen allesbehalve evident is). ik geloof dat overal bezieling in zit; niet alleen in de merel maar ook in haar zang. ik vraag me regelmatig af wat dat lied betekent voor de ochtend, de avond. kan de wereld, de lucht, de zonsopkomst zonder de zang van de merel? misschien in theorie wel, maar de ziel, de ziel van de wereld?

net zo hard mijmer ik wel eens over de bedoeling van de (noorse/ griekse) goden; waar zijn ze gebleven, hoe maken we ze wakker? is het ondertussen niet eens tijd om ze te smeken om hulp? ik geef me over, namens iedereen, ook reeds dood & nog niet geboren, als dat betekent dat de varkens hun eigen plek weer in mogen nemen, en de zee-anemonen, en de huismussen. 

(the moth and the fish eggs are in their place,
the bright suns i see and the dark suns i cannot see are in their place,
the palpable is in its place and the impalpable is in its place

walt whitman, song of myself)


** op pagina 100 schrijft macfarlane: het lijkt me op dat moment duidelijk, in dat vreemde, heldere water, dat zeggen dat een rivier leeft geen antropomorfe bewering is. een rivier is geen mens, en andersom ook niet. elk onttrekt zich op verschillende manieren aan de ander. zeggen dat een rivier leeft is een rivier niet personifiëren, maar de categorie ‹leven› uitbreiden en verdiepen, en daarmee - hoe zei george eliot dat ook weer? - het verbeelde bereik vergroten waarbinnen het zelf zich begeeft.

*

tips/ verdieping:

> i am the river, the river is me: een documentaire over whanganui in nieuw zeeland
> jane hirshfield being interviewed by emergence magazine, on time, mystery, and kinship
> arita baaijens bij vpro boeken in gesprek over in gesprek met de noordzee
>
webinar: encountering the earth: how ecological creativity changes us and the world

to open the world

een onderwerp: de val waar ik indonder bij het willen doen van dingen. of, mijn wankele gevoel van zelfwaarde en dus moeite hebben met geloven dat ik dit kan zonder hulp. 

mijn onzekerheid is altijd geweest dat niets in mijn leven lijkt op/ verloopt als het leven van anderen. in plaats van dat feit te accepteren deed ik telkens het tegenovergestelde, ik dwong mezelf aan te passen. maar forceren heeft bij mij altijd tot een doodlopend einde geleid. en keer op keer, bij het te hebben bereikt van dat dode einde, heeft het leven (het bestaan, het universum) me teruggestuurd naar dit. naar schrijven. ik kan niet langer doen alsof dat niet het geval is. en dus schrijf ik.

iedere week een blogpost, is mijn doel. ik schrijf, probeer te schrijven, zonder plan. heb ideeën genoteerd maar merk dat ik het moeilijk vind om de energie terug te vinden die ik voelde bij het opschrijven van die ideeën. een ander probleem is dat ik al dagen probeer op te lossen waarom ik ben gestopt met the artist's way. in plaats van gewoon accepteren dat het niet past bij wie ik ben voel ik me schuldig. ik vul pagina's in mijn notitieboek in een poging mezelf te kunnen verklaren wat er aan de hand is, waarom het me niet meer aanspreekt.

altijd denken mezelf te moeten uitleggen, verklaren.

ik loop er bij weg.
(ik schaam me voor mijn twijfels, voor al die pagina's, zal ik ze uit mijn notitieboek scheuren?
.... nee.)

het helpt niet dat ik vòòr al dit getwijfel ook al moeite had met beschrijven wat er in mij gaande was: ik ben zo ontzettend boos, voel al een poos een enorme afschuw richting de mensheid. rouw, misschien. de staat van de wereld. 

& tegelijkertijd probeer ik mijn spiritualiteit een plek te geven, ik ben niet gek op dat woord maar ik weet niet welke anders te gebruiken. ik doel op het ervaren van het eeuwige, ik heb dit al zo zo vaak opgeschreven in mijn notitieboek, schreef ik het niet ook vorige week op dit blog?: het eeuwige in mij dat verbintenis zoekt of voelt (iets) met het eeuwige buiten mij. 

nee, niet vorige week: het staat geschreven in een van de vele ongepubliceerde blogs:

maar is het niet juist zo dat ik, alles waar ik uit besta, mee gemaakt ben, het weefsel van mijn lijf en alles dat daar bij hoort, dat al dat totaal en volledig eeuwig is? is het wellicht gewoon een kwestie van anders denken, of zoals mary oliver schrijft, attitude?

mijn obsessie met een passage uit mary oliver's essay ‘winter hours’:

knowledge has entertained me and it has shaped me and it has failed me. something in me still starves. in what is probably the most serious inquiry of my life, i have begun to look past reason, past the provable, in other directions. now i think there is only one subject worth my attention and that is the precognition of the spiritual side of the world and, within this recognition, the condition of my own spiritual state. i am not talking about having faith necessarily, although one hopes to. what i mean by spirituality is not theology, but attitude. such interest nourishes me beyond the finest compendium of facts. in my mind now, in any comparison of demonstrated truths and unproven but vivid intuitions, the truths lose. (p153 in upstream)

hier ben ik gearriveerd. dit punt, ik wil weten wanneer mary oliver het schreef, wat er veranderde voor haar bij het accepteren van deze honger, en bovenal wil ik weten hoe deze houding te betrekken. i would not talk about the wind, and the oak tree, and the leaf on the oak tree, but on their behalf. niet about maar on their behalf. wat betekent dat... i would therefore write a kind of elemental poetry ... (..) i would write praise poems ...

zoals ik vorige week al schreef zit mijn hoofd vol met allerlei dingen die elkaar aanraken, maar afgeleid worden/ mezelf afleiden heeft ervoor gezorgd dat er geen vaart zit in dat project. ik noem het mijn adem-project.

geduld. 
ziel. (adem.)
(sommige woorden kunnen mij gronden, laten mij(n) wortels schieten.)
tijd, attention, attitude.

it takes time to listen, time for the deeper things to show themselves... patience, the art of waiting, is the heart-skill that opens the world. (mark nepo, seven thousand ways to listen)

3-2

de oude man slaat met zijn bijl tegen de wortels van een es. de wortels kropen over het fietspad.
nu, het vriest, stompjes boomleven bloot tegen lucht en licht.

de schaduwstrepen van de boomstammen zijn nog wit van de vorst, de rest van het grasveld alweer ontdooid.

*

raskolnikov: he did not sleep, but was as if oblivious. grieperig; feverish, a disease. dis-ease. a bad conscience being a serious illness according to nietzsche.

*

bonte specht. (onzichtbaar getik vòòr de bewegingen in de lucht.
twee. 
de een zit achter de ander aan. van tak naar tak; in de lucht. grote bochten, de achtervolger zodanig vliegend dat ik de vogel alsof van boven kan zien. de vorm van gespreide vleugels.
zonder twijfels. duur van licht groeit. en dus is dit wat gebeuren moet.

we invent anew
by surrounding ourselves with the original circumstances, we invent anew (..) 
(ralph waldo emerson, ‘history’)

zonlicht duwt zichzelf door de mist. mijn boek weerspiegelt de lucht en kleurt blauw.

i admire the love of nature in the philoctetes. in reading those fine apostrophes to sleep, to the stars, rocks, mountains, and waves, i feel time passing away as an ebbing sea. i feel the eternity of man, the identity of his thought. the greek had, it seems, the same fellow-beings as i. the sun and moon, water and fire, met his heart precisely as they meet mine. then the vaunted distinction between greek and english, between classic and roman schools, seems superficial and pedantic. when a thought of plato becomes a thought to me,—when a truth that fired the soul of pindar fires mine, time is no more. when i feel that we two meet in a perception, that our two souls are tinged with the same hue, and do, as it were, run into one, why should i measure degrees of latitude, why should i count egyptian years? (ralph waldo emerson, ‘history’)

*

overrompelend licht.
zoveel.
bijna alsof nieuw en onverwacht.

gezien: puttertjes, staart- kool- en pimpelmezen, buizerds, nog meer bonte spechten. kuif- en wilde eenden.

aangeraakt door de schaduwen van honderden takken, bomen.

plukken mos op de grond onder volwassen eiken. oranje en groene stippen op jonge, oude bomen, een taal onbegrijpelijk. ik wil weg kijken.

*

meadowlark sings and i 
greet him in return
, mary oliver:

Meadowlark, when you sing it's as if
you lay your yellow breast upon mine and say
hello, hello, and are we not 
of one family, in our delight of life?
You sing, I listen.
Both are necessary
if the world is to continue going around
night-heavy then light-laden, though not
everyone knows this or at least
not yet,

or, perhaps, has forgotten it
in the torn fields,

in the terrible debris of progress.

*

voorzichtig wiegende takken.
nieuwe lange schaduwen maar nu wijzend richting het noordoosten.
(alles hunker naar licht. hunkert ongemakkelijk naar licht.)

de verandering van buiten volgens licht.
zachter weidser.
de wolken roze.
vogels thuis.

*

these things matter.

i am blood and bone however that happened

experience! experience!—with the rain, and the trees, and all their kindred—has brought me a comfort and a modesty and a devotion to inclusiveness that I would not give up for all the gold in all the mountains of the world. this I knew, as I grew from simple delight toward thought and into conviction: such beauty as the earth offers must hold great meaning. so I begin to consider the world as emblematic as well as real, and saw that it was—that shining word—virtuous. that it offers us, as surely as the wheat and the lilies grow, the dream of virtue.

I think of this every day. I think of it when I meet the turtle with its patient green face, or hear the hawk's tin-tongued skittering cry, or watch the otters at play in the pond. I am blood and bone however that happened, but I am convictions of my singular experience and my own thought, and they are made greatly of the hours of the earth, rough or smooth, but never less than intimate, poetic, dreamy, adamant, ferocious, loving, life-shaping.

: mary oliver, ‘comfort’; long life: essays and other writings

//